DEZE SITE IS VERHUIST

Posts tonen met het label Lenin. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Lenin. Alle posts tonen

zondag 4 mei 2014

Marxisme Festival Live #4 de relevantie van Lenin - welke Lenin?

Sommige mensen beginnen hun zondag met een croissantje en wat sinaasappelsap. Op het Marxisme Festival begonnen een flink aantal socialisten hun wekelijkse rustdag met een discussie over Lenin. Ian Birchall, een bijzonder ervaren Britse Marxist, kwam vertellen. Opnieuw hadden de organisatoren van het festival het aantal benodigde stoelen flink onderschat.

'Links', stelde George Galloway, een bekende Britse linkse sociaal-democraat, 'zou eens moeten ophouden over dode Russen'. Aldus begint Birchall zijn bijeenkomst. Inderdaad, stelt Bichall, te pas en te onpas worden dode Russen gebruikt op links. Maar dat wilt niet zeggen dat we Lenin zouden moeten laten liggen. Een revolutie is een duik in het onbekende. Om ons een beeld te geven van wat we kunnen verwachten en wat we zouden kunnen doen zullen we terug moeten kijken naar eerdere revoluties. De geschiedenis is kenbaar, in tegenstelling tot de toekomst.

Birchall besteed erg veel tijd aan het bestrijden van opvattingen over Lenin. 'Lenin is niet dat dictatoriale figuur dat altijd gelijk had, in tegendeel'. Centraal in zijn betoog staat dat Lenin veel fouten beging, maar flexibel was en continu zijn opvattingen bijstelde. Leren van de werkende klasse en strijd. Birchall gaat zelf zo ver om te bestrijden dat er iets is als de Leninistische partij. Birchall is één van de oer-IS'ers. 'Lenin maakte organisatievorm afhankelijk van politiek. Hoe hij organisatievorm zag was afhankelijk van de omstandigheden'. Er zijn dus volgens Birchall geen set formules die Leninisme definiëren. Daarmee verworden De Socialist, centralisme en dergelijke Leninistische uitgangspunten van hun voetstuk gestoten, ze worden betwist, ze moeten zichzelf continu bewijzen.

Aldus is het wel een leerzame bijeenkomst. Birchall maakt veel van de feilbaarheid en menselijkheid van de Bolsjewieken. Citaten en anekdotes voegt hij fraai in in zijn betoog. Eén anekdote is bijzonder het vernoemen waard. Er was in 1917 op een gegeven moment een staking de vrouwelijke textielarbeiders. Zij gingen langs een districtshoofd van de bolsjewieken, die hun echter adviseert om niet te staken, sterker nog, hij zei zelfs dat ze een pamflet zouden moeten maken waarin de staking werd afgeraden!

Deze werksters, vertelt Birchall, besloten niet te luisteren. Hun staking verspreidde naar andere werkplekken en een paar weken later was de tsaar gevonden. De bolsjewieken zaten er dus even naast. Zoals ze er op andere momenten ook naast zaten. Wat hen echter onderscheidt was dat ze verbonden waren met de klasse en continu daarvan leerden.

De strekking van het verhaal is duidelijk: marxistische organisatie kan je niet werkelijk vaststellen in een aantal set tijdloze regels, maar is iets dat je leert vorm geven aan de hand van geschiedenis, de strijd, de omstandigheden.

Birchall heeft nu echter met name vertelt wat Lenin niet was. Een van de toebehoorders werpt hem dan ook terecht voor de voeten, zonder hem er op aan te vallen, dat er wel degelijk een aantal dingen zijn die je uit de revolutionaire geschiedenis kan tillen aan lessen. Zoals de onafhankelijke organisatie van revolutionairen.Ondertussen krijgt Birchall de ene na de andere pittige vraag op zich afgevuurd, die opzich een inleiding van minstens een half uur waard zijn. De Rode Lynx krijgt nog bijval van Birchall dat mensen hun eigen Lenin construeren en dat dat ook kan. Daarmee vergeleek Birchall de teksten van Lenin met de bijbel, waar je ook alles uit kunt halen. Dat vindt ik nou leuk als je bedenkt dat ik hierover eerder heb geschreven.

De rest van de bijeenkomst vulde zich met name met vragen aan Birchall en bijdrages die zich richten op wat dan de lessen zijn uit die tijd. De volledige opname van de inleidingen zullen overigens de komende tijd op het kanaal SocialistTV van de IS op youtube gezet worden.

De eigenlijke versie van dit artikel telde 1000 woorden en is helaas verloren gegaan, dit is een snelle tweede versie. Mea culpa.

Marxisme Festival Live #3 - Discussie over de sociaaldemocratie loopt uit de hand

Verhitte discussie gister op het Marxisme Festival over 'waarom bestaat de sociaaldemocratie nog'. In een zaal waar meer dan alle stoelen gevuld waren namen bepaalde socialisten opmerkelijke posities in en moest de sociaal-democratie het op alle niveau's ontgelden. In de zaal zaten echter ook socialisten die zelf aangesloten zijn bij een sociaaldemocratische partij, en socialisten die veel samenwerken met sociaaldemocraten. Wat volgde was niet noodzakelijk de meest productieve discussie.

Rob Gerritsen hield een inleiding over de ontwikkeling van de sociaaldemocratie, vanuit de 19e eeuw tot nu. Wat er volgde stond echter niet helemaal in relatie tot de opzet van de discussie of de inleiding. De eerste helft van de discussie bestond er voornamelijk uit dat een aantal ultralinksen zoals 'Wibo van de IBT' ('International Bolshevik Tendency') hun verontwaardiging over de sociaaldemocratie en andere socialisten zo hard mogelijk wilden laten horen. Daarbij geholpen door een tamelijk bij elkaar geraapte hoeveelheid Marxistische en quasi-Marxistische terminologie. 

'De sociaal-democratie moet worden afgeschaft' 'de sociaal-democratie zijn agenten van de bourgeoisie'. Veel verwijzingen naar de original sin van de sociaal-democratie, hun capitulatie voor imperialisme en steun voor WO I in 1914. Pleidooien van geïsoleerde 'revolutionairen' voor een revolutionaire voorhoedepartij van de arbeidersklasse die wel geworteld zou zijn in de arbeidersklasse omdat de sociaaldemocratie dat niet zou zijn. Stellingen dat 'sociaal-democratie' de ernstigste vorm van sabotage van revolutie is. 'Sociaal-democraten hebben het fascisme voorbereid'. In al deze beweringen zit een kern van waarheid, maar het zijn uiteindelijk ultralinkse fantasieën die niets te maken hebben met een marxistische analyse of een gids voor actie.
Twee mensen liepen weg, en voor de aanwezige SP'ers moet het ook wat ongemakkelijk geweest zijn. Nu was het zo dat één van die aanwezige SP'ers vervolgens komende bezuinigingen door de SP ging verdedigen, wat SP'ers telkens vaker (schande!) doen. Maar de aanwezige sektariers, ik noem het zoals het is, sloegen de plank volledig mis. Ze waren bezig zichzelf te profileren ten koste van zinnige discussie. In plaats van een sociaal-democraat te overtuigen wisten zij hen te vervreemden. 

Maar dat hadden we natuurlijk ook aan onszelf te danken. Want wij bleven, in de inleiding, het antwoord op de vraag 'waarom blijft de sociaal-democratie' schuldig. Vervolgens konden dan sektariers de volgende waanzin uiten (parafrasen): 'Lenin was volledig verbaasd over het verraad van de sociaal-democratie in 1914. Hij wilde het eerst niet geloven. Daarom deed hij een studie en ontdekte dat er een arbeidersaristocratie was, een laag van de arbeidersklasse die omgekocht is door de bourgeoisie, dat is de sociaal-democratie'.

Leninverheerlijking. Toevallig had iemand eerder op de dag diezelfde theorie van de werkersaristocratie aangehaald, en hem onderuit gehaald. Deze theorie verklaart namelijk niet waarom mensen toch achter de sociaal-democraten achter blijven lopen. Wat ons brengt tot de vraag: waarom blijft dan de sociaal-democratie bestaan? Er zijn institutionele redenen waarom partijen als de SP en PvdA bestaan, zoals hun reeele invloed op het bestuur van het land, en in het geval van met name de PvdA, hun grip op de vakbeweging.

Maar de fundamentele reden dat sociaal-democratie bestaat heeft met iets diepers te maken. Onder het kapitalisme hebben socialistische werkers in overgrote meerderheid geen revolutionair bewustzijn. Zij hebben een reformistisch bewustzijn. Over bewustzijn en de rol van werkers zelf stappen de sektariërs graag heen. Zij zien namelijk de werkende klasse als een hulpeloze prooi in de handen van altijd verradende sociaal-democraten. Dat is een belediging voor hun intelligentie en eigen handelen.

Sociaal-democratie ontstaat vanuit de klassestrijd in het kapitalisme buiten revolutionaire situaties. Die strijd creeert reformistisch bewustzijn. Dat bewustzijn karakteriseert zich onder andere door een vertrouwen in besturen en grote leiders, in tegenstelling tot zelforganisatie. Het is ook een gebrek aan zelfvertrouwen, dat zich ook uit in het geloof dat de werkende klasse niet in staat is zelf socialisme te scheppen maar dat we kunnen en moeten vertrouwen op bourgeois instituties zoals het parlement voor de wetgeving en de politie om onszelf onder controle te houden. Het is een angst voor grote verandering, angst om kwijt te raken wat men al heeft, en dus een vertrouwen in geleidelijkheid en een angst voor geweld.

Afijn, ik kan het hier niet volledig uiteen gaan zetten want dan zou deze post veel te lang gaan duren. Sociaal-democratie speelt in op dit bewustzijn. Revolutionaire organisatie sluit hier niet op aan. Op het moment dat de klassestrijd zich toespitst en een revolutionaire situatie ontstaat vallen de massa's te winnen voor een revolutionair perspectief. Op het moment dat er geen revolutionaire situatie is continu met een gestrekt been op de sociaaldemocratie in gaan brengt revolutie geen klap verder. Het punt is dan dat je moet begrijpen, zoals Lenin en Trotski waarde ultralinksen, dat je moet samenwerken met de massa's en dus met hun massa-organisaties, de sociaal-democratische partijen en organisaties. En dat gaat niet als je hun continu aan het uitschelden bent.

zaterdag 6 juli 2013

Historisch materialistisch leninisme, bloemen, en bakkers.

Er is een grote verwarring over wat leninisme is, zowel onder leninisten als anarchisten. In het gevecht om zichzelf en hun organisatiemodel te verdedigen, oftewel hun status quo te legitimeren, wordt leninisme gereduceerd tot tragikomische ‘essenties’. Dit is verkeerd en niet echt behulpzaam. Maar wat is het dan wel? We gaan het even lekker simpel en filosofisch tegelijkertijd maken.

Leninisme wordt vaak benaderd als ware het een bloem. Er is zaad, later zijn er groene scheuten, er is bloei en verdorring. Een cyclus die van a naar b gaat en dan weer opnieuw begint. Dit geldt zowel voor leninisten als voor anarchisten. Leninisten bekijken het liefst de bloeiende bloem en wijzen op hoe glorieus het wel niet was in 1917. Anarchisten bekijken het liefst de verdorring en wijzen op hoe vreselijk het allemaal wel niet was in 1922.

In beide gevallen is er een essentie die er uit gefilterd wordt, een werkelijk leninistische essentie. De uitkomst volgde bovendien uit de aard van het zaad en de groene scheuten. Dit krijgt extra betekenis omdat zowel anarchisten en leninisten de huidige leninistische organisatie, zoals de IS, zien als dat zaad of die groene scheuten. De leninisten beloven zichzelf en de klasse zo de bloei (en dat men daarom leninist dient te zijn), de anarchisten waarschuwen dat de verdorring onvermijdelijk volgt (en dat men daarom anarchist moet zijn). Of in normaal Nederlands: anarchisten menen dat het stalinisme volgt uit de IS. Nuances nuances, maar dit is de kern van de zaak.

Dit is een verkeerde benadering.

We bekijken even iets geheel anders: bakkers. Dit is een van mijn favoriete vergelijkingen. Wat is een bakker? Een bakker bakt, om het simpel te houden, brood. Derhalve weet een bakker ook hoe hij brood bakt en heeft hij een bakkerij, meel, water, enzoverder. Dit brood heeft deze bakker niet allemaal zelf nodig: het is van belang dat hij voor andere mensen brood bakt, om het ze te geven of te verkopen. Dit brood houdt, om het even simpel te houden, de mensen in stand. Bakker zijn is dus niet een idee, maar een sociale relatie: bakken voor mensen.

Als we leninist zijn zien als een relatie kunnen we een aantal tegenstrijdigheden verklaren. Leninisten spiegelen zich aan de bloem van het leninisme, 1917. De partij was revolutionair, socialistisch, centralistisch, homogeen, anti-sexistisch, homovriendelijk, moslimvriendelijk, enzoverder. Wie niet voldoet aan deze voorwaarden, het uiterlijk van de bloem, is geen echte leninist, volgens de leninisten. Het wordt lastig als blijkt dat Lenin voor 1917 niet geloofde in de mogelijkheid van socialistische revolutie in Rusland. Past Lenin dan wel langs de maatstaaf van de leninisten?

Er zijn meer van dit soort voorbeelden: Marx was tamelijk homofoob. Proudhon, om een anarchist er bij te pakken, haatte stakers. De bekende Parijse Commune van 1871 was fel nationalistisch. Typisch genoeg gaat Donny Gluckstein, zoon van IS-oprichter Tony Cliff, als eerst in zijn fraaie boek over de Commune benoemen hoe het wel niet antwoordde aan de ideologische standaard van de Britse SWP. Maar de Commune, ook bekend van het lied ‘De Internationale’ dat er geschreven is, was gewoon mede geboren uit nationalisme. Da’s pas dialectiek. Het punt is dat als we leninist of anarchist etc. zijn zien als een idee of een bepaalde ideologische positie, dat er dan grote tegenstrijdigheden optreden.

Maar als we doorgaan op Lenins partij dan kunnen we stellen dat er veel meer marge is dan de scherpslijpers ons toestaan. Lenins partij was naar de huidige maatstaven bijzonder anarchistisch. Centralisme? Ja, maar niet naar de huidige maatstaven. Een voorbeeld: in 1903 splitste de RSDAP in Bolsjewieken en Mensjewieken. Een partijsplijting is toch wel het meest basale waarover je ‘eenheid in de partij’ hanteert. Later werd deze splitsing teruggeïnterpreteerd naar revolutionair en reformistisch, maar dit was in de begintijd geheel niet zo. Het duurde tot na 1917 totdat werkelijk alle afdelingen de splitsing hadden doorgevoerd.

Maar ook als het gaat om ideologische homogeniteit. Lenin zelf geloofde tot april 1917 niet in een van de belangrijkste marxistische inzichten, de theorie van permanente revolutie, en dacht dus zoals gezegd dat revolutie niet mogelijk was in Rusland. In plaats daarvan wilde hij eerst een liberale revolutie. Anderzijds is er een goede reden waarom Lenin zoveel boeken schreef die later tot dogma werden verheven: het was toentertijd nog geen dogma en moest nog bevochten worden. Lenin vocht tegen allerlei opvattingen binnen zijn eigen partij, zoals het economisme of quasi-religieuze filosofische opvattingen.

Interessant wordt de vraag wanneer en hoe bepaalde denkbeelden en organisatiewijzen tot de norm werden verheven. Als het gaat om de SWP, de koers waarop de IST vaart, dan is het mijn gevoel dat het in de jaren ’70 en ’80 zich ontwikkelde van een groep relatief los georganiseerde en relatief hoog opgeleide mensen naar de zeer sterk gecentraliseerde werkerspartij die het nu is. Maar die geschiedenis ken ik amper. Het Leninisme van de IS zou dan op zijn oudst kunnen worden gedateerd op een jaar of 35.

Het kan tot redelijk aparte situaties leiden, namelijk dat de IS als standaardboek Building the party heeft, deel één van Tony Cliffs biografie van Lenin. Wat er onder andere in behandeld wordt is hoe je als voorhoede van de werkende klasse relateert tot de rest van de klasse. Maar ja, jarenlang (da's inmiddels wel anders) was de IS voornamelijk een groep radicale en activistische studenten en jongeren, niet bepaald een werkerspartij. Dit probleem zien veel leninisten niet omdat ze net als veel anarchisten een anachronistische en idealistische opvatting van het leninisme hebben.

Het is redelijk toevallig dat de bolsjewieken de leninisten werden en de anderen reformisten. De bolsjewieken schiepen niet alleen zichzelf, maar de strijd schiep hen, de tijd schiep hen, alles in een dialectische relatie. Het liep zo dat Lenin uiteindelijk in het Kremlin zat en met hem de aanvankelijke mensjewiek Trotsky, terwijl de mensjewistische leiding niet voor de revolutie had gekozen. Bloed werd vergoten. Had het anders gelopen, hadden we onszelf nu 'plekhanovisten' genoemd en stond 'leninisme' gelijk aan sociaal-democratisch verraad van de allermooiste revolutie ooit. Het verschil tussen een held en een schurk is niet altijd zo groot als de Hollywood-achtige jongensboeken over revoluties ons willen doen geloven. Dat gaat op voor iedere oorlog.

Zo kan je je er dus telkens meer over verbazen dat scherpslijpers allerlei barrières opwerpen voordat je jezelf 'leninist' zou mogen kunnen noemen en dat revolutionairen onderling verdeeld zijn in zoveel organisaties en sektes omwille van allerlei tamelijk kleine verschillen. Of je een echte revolutionair-socialist bent en je organisatie de juiste rol speelt hangt immers van vanalles af en niet in de eerste plaats van bepaalde ideologische standpunten die het inneemt en hoe het zich precies heeft georganiseerd. In de Parijse Commune ontwikkelde relatief spontaan een gecentraliseerd element genaamd 'Centraal Comité' dat de revolutie aanvankelijk leidde. Helaas was er geen revolutionaire partij opgebouwd voorafgaand aan de Commune en werd de revolutie bloedig gesmoord door de bourgeoisie. Desalniettemin was er wel een revolutionaire socialistische leiding.

De rode kleur in het vaandel hebben staan betekent inmiddels dus véél meer dan 150 jaar geleden. Voordat men zich er werkelijk mee associeert moet men dus aan veel meer voorwaarden voldoen. In de IS wordt seksisme, racisme en homofobie bijvoorbeeld niet getolereerd en er wordt stevig met je gepraat als je je verkeerd gedraagt. De minder indringende variant zijn de kameraden die je tijdens het praten verbeteren op woorden, wat ook wel elders gebeurd. Of je dit goed vind of niet: de kloof tussen de voorhoede en de werkende klasse wordt zo evenwel groter.

Voordat je werkelijk erbij hoort moet je al de traditionele opvattingen achter je laten. De hele ideologische set die wij ‘leninisme’ noemen wordt zo mensen voor de voeten gelegd ter acceptatie. Tony Cliff noemde deze fout in Building the party 'ultimatisme'. De vraag is of dit juist is: leninist zijn hangt immers af van een sociale relatie, niet van ideeën. Die zijn veel minder direct van invloed. Als (moderne) ideologische posities bepalen of je je werkelijk een socialist kan noemen, dan was tot voor kort haast niemand socialist en waren Marx, Lenin en Proudhon klasseverraders.

Om zo vlak voor het einde nog terug te komen op de bakkers. Als we stellen dat bakker zijn een sociale relatie is, hoe zit het dan met een werkloze bakker zonder bakkerij? Lekker brood bakken is voor hem geen geheim, maar hij doet het niet. Maakt dat hem een bakker? Simpel gesteld: nee. Het werkloos zijn doorbreekt in principe de relaties. Hoe zit het dan met een werkloze leninist? Bijvoorbeeld al die geleerde academische marxisten die nooit een poot uitsteken? Hun sociale relaties zijn heel anders: ze staan op de loonlijst van een burgerlijke instelling en schrijven aldaar boeken die bijna niemand leest in een taal die bijna niemand snapt. Ze zijn voor de revolutie dus net zo nuttig als dat een werkloze bakker brood op de plank krijgt. Hetzelfde geldt voor groepjes en types die vooral met zichzelf bezig zijn.

Toch is het niet zo dat Leninisme daarmee een lege term wordt. In tegendeel. Maar wat houdt het dan wel praktisch in? Er zijn wel degelijk dogma’s die altijd kloppen. Ik zou er een aantal kunnen opnoemen, zoals 'de bevrijding van de werkende klasse kan alleen het werk zijn van de werkende klasse zelf'. Maar dat zou ongepast zijn. We kunnen wel grofweg de relaties schetsen die je tot leninist maken: een leninist heeft als historische rol het strijden voor de overgang van kapitalisme naar socialisme, en als onderdeel van het meest bewuste deel van de werkende klasse leidt de leninist de werkende klasse op verschillende manieren in verschillende omstandigheden daartoe. Ik kan het natuurlijk fraaier verwoorden (cq verbloemen) maar zo werkt dit blog niet, ik hou van duidelijkheid en schaam me er niet voor me leninist te noemen.

Wat dit allemaal precies betekent hier en nu, daar zullen we zelf achter moeten komen, in de strijd, in onze eigen tijd, en dat gaat een stuk beter als we beseffen hoe Leninisme juist enorm veranderlijk is. En dat vereist ook een meer zelfbewust Leninisme. Met andere woorden, we passen het marxisme op zichzelf toe, en dan krijgen we historisch materialistisch leninisme. Daar zitten zoveel marxistisch klinkende woorden in, het moet wel goed zijn.

Eén van de uitkomsten van dit verhaal is dat we moeten leren van het hier en nu en niet slechts moeten blijven emmeren over dingen die ver weg gebeuren of gebeurden, in tijd of ruimte. Om de knuppel in het hoenderhok te gooien: het boeit voor de strijd in Nederland niet zo veel wat er in Bolivia gebeurd. Wat belangrijk is, is dat je weet wat er op je werkplek speelt en dat je daar gaat organiseren en daar van leert.

zondag 21 april 2013

woensdag 17 april 2013

Een noot van een historicusje bij het huidige leninisme-debat

Lenin Mickey Mouse Jezus

Een aantal artikelen en stukken gaan heen en weer over het internet over Lenin. Het ene artikel is beter dan het andere. Maar wat de verschillende artikelen gemeen hebben is dat de auteurs niet doorhebben, of althans expliciet maken, in hoeverre ze hun eigen denken projecteren op Lenin. Dit inzicht is van doorslaggevend belang voor het taxeren van 'Lenin'(1), en daarmee ook voor het belangrijke vraagstuk: hoe organiseren wij ons in de strijd?

Ik zal hier niet ook nog een stuk schrijven over Lenin, maar wellicht dat ik dat later nog doe. Kortweg kan ik me vinden in de conclusies die Maina van der Zwan trekt, vindt ik het stuk van Jelle Bruinsma een herhaling van zetten als het gaat om een anarchistische kritiek, en vindt ik het commentaar van Willem Bos een nuttige aanvulling op Maina. Maar nu komt de relevante vraag: waarom vind ik dat?

Flauw genoeg zou je kunnen zeggen dat je de vraag waarom je iets vindt a priori niet goed kan beantwoorden. Uiteraard ben je hierin namelijk opnieuw gekleurd en kan je dus nooit een zuiver rationeel antwoord geven op die vraag. Dit is dan ook hoe postmodernisme in zijn eigen staart bijt, dus ik ben hier wat minder rechtlijnig in, want anders weten we nooit meer wat. Waarschijnlijk kom ik toch redelijk in de buurt als ik stel dat ik het met de Leninisten over Lenin eens ben omdat ik zelf Leninist ben, en lid ben van een Leninistische organisatie. Omgekeerd ben ik het niet eens met de anarchisten, maar de anarchisten wel met zichzelf. Anarchisten, het is wat zuur om het te zeggen, ontlenen een groot deel van hun bestaansrecht als aparte groepering(en) aan (soms werkelijk, soms ingebeeld) autoritair optreden van Leninistische organisaties. Een anarchist is het oneens met de IS en Lenin omdat hij of zij een anarchist is.

Dit lijkt open deuren intrappen, maar dat is het niet. Wat ik hier doe is immers relativeren wat de verschillende schrijvers inbrengen in het debat. Allen hebben een redelijk totale, en ook ouderwetse, aanspraak op De Pravda Waarheid. En dat is cool, dat kan, zo gaat dat in een discussie, vooral in één waar van af hangt of je hele organisatiemethode wel legitiem is. Het komt hier op neer: het gekibbel tussen anarchisten en Leninisten wordt uitgevochten over Lenins graf. Of althans, had hij maar een graf, Stalin heeft 'm laten omtoveren tot zombie-afgod, en hij is nog steeds te bewonderen en of te aanbidden in Moskou. Er schijnt zo nu en dan mos in 'Lenins' oor te groeien.

Een voorbeeld. Zowel Willem Bos als Maina van der Zwan geven aan dat er niet één methode-Lenin was, maar dat er verschillende organisatiemodellen waren afhankelijk van tijd en omstandigheden. Maar dit moeten ze ook wel doen, om Lenin te kunnen verdedigen. Anders zou er inderdaad een rechte lijn lopen van het Leninisme dat zij steunen, naar de goelag en de anarchistische conclusies die daar uit vloeien. Andersom persifleert Jelle Bruinsma het Leninisme door die gelaagdheid niet te herkennen. Hij vindt immers wel dat er een lijn loopt van het Leninisme naar de goelag. Zo heeft hoe mensen in het hier en nu tegen politieke organisatie aankijken een aanwijsbaar effect op hoe men Lenin taxeert. Ik zeg in deze alinea dus niet noodzakelijk wie van de twee gelijk heeft: ik geef slechts aan dat wat men vindt van Lenin niet objectief is, geen 'pure waarheid' is, maar zeer subjectief is.

Om hier op verder te gaan durf ik zelfs te stellen dat we de praktijk van de Bolsjewieken amper kennen. Niet één anarchist of Leninist met wie ik over de Bolsjewieken heb gesproken had werkelijk een vraag zo simpel als deze kunnen antwoorden: hoe zag een gemiddelde week er uit voor een Bolsjewiek, in bijvoorbeeld Kiev in 1910? Toch menen we allemaal, ik ook, op basis van bijzonder summiere kennis enorm grote uitspraken te kunnen doen.

Waarom we dat doen is vrij simpel. De erfenis van de Russische revolutie dragen we nog steeds met ons mee, meer dan bijvoorbeeld de erfenis van de Parijse Commune. Lenin is voor de ene helft van revolutionair Nederland een held, voor de andere helft een anti-held. Wat we doen is onze eigen ideeën projecteren op Lenin, om in hem een bevestiging te zien van wat we doen, of juist een waarschuwing van hoe 'het mis kan gaan' en op die manier onze organisatiemethodes te legitimeren. Hier komt nog bij dat we allemaal maar weinig origineel zijn en veelal argumenten kopieëren uit boeken van onze Grote Namen en die op retorische wijze zo slim mogelijk proberen te presenteren. De basis voor de kennis over Lenin wordt voor veel IS'ers bijvoorbeeld gelegd door de Lenin-biografie van oer-IS'er Tony Cliff (2). Hoeveel van ons hebben het nu werkelijk zelf geprobeerd te onderzoeken, voordat we begonnen te schreeuwen?

Het beste bewijs leveren wel de eindeloze variaties op het thema 'Marxistische organisatie'. Simpel gezegd vinden ze allemaal wel iets van Lenin, zijn zij de werkelijke Leninisten, en (wat een gotspe) sommigen menen zelfs de 'erfgenamen' te zijn van de Russische revolutie en of de Bolsjewieken. Hoe verschillend de organisaties ook zijn wat organisatie en praktijk dan ook, allemaal zijn het kennelijk Leninisten.

Lenin is dus onze proxy, zowel van rood als zwart. Arme man. Het is het tragische lot van iedere grote revolutionair om na zijn dood ideologisch geroofd te worden. Wat was nu de bedoeling van deze postmoderne oefening in deconstructie? We zijn geen centimeter opgeschoten als het gaat om de vraag hoe we onszelf moeten organiseren. We weten nu alleen dat iedereen, en ik ook, een zeer gekleurde manier heeft van naar Lenin kijken. Toch kan een groter bewustzijn over waarom we denken wat we denken ons in staat stellen de discussie over Lenin op een hoger niveau te voeren, want dat de discussie nog steeds relevant is, dat bewijst het verhitte debat wel.



(1) In lijn met het stuk van Maina van der Zwan zie ik Lenin niet als de absolute meester van de Bosjewieken, maar omwille van de leesbaarheid gebruik ik hier de naam 'Lenin' metaforisch.

(2) Mocht men denken dat Cliff Lenin verheerlijkt, dan kan dat goed komen omdat we voornamelijk deel 1 en 2 lezen van de biografie. In deel 3, dat al jaren niet of nauwelijks meer te krijgen is, is Cliff bijzonder kritisch over Lenin en de Communistische Partij, en laat hij duidelijk zien hoe zowel materieële omstandigheden als keuzes van de Communisten leidden tot het gruwelijke verval van de revolutie.

Facebook spam is de ultieme vrijheid Facebook spam is de ultieme vrijheid 

zaterdag 2 juni 2012

Tegen linkse muggenzifterij en revolutionaire puristen

Iedereen kent het wel: de scherpslijpers, de activisten die woordkeuze zo scherp en ideologisch puur (in hun ogen) verwoord willen hebben. En dan niet alleen die van hunzelf, maar vooral ook die van jou. Vaak hebben de scherpslijpers technisch gezien gelijk. Het kan toch bijzonder vervelend zijn om de hele tijd door verheven puristen gecorrigeerd te worden. Waar dient het eigenlijk voor, die ideologische puurheid, of muggenzifterij om een nuance? En waar zou dat toch vandaan kunnen komen, dat radicaal linkse mensen zo graag muggenziften?

Dit is niet een poging om werkelijke verschillen te verhullen of iedereen een soort van ‘laten we allemaal maar vriendjes zijn’ houding aan te praten. Discussie en van elkaar leren is allebei erg belangrijk. Het gaat hier om de scherpslijperij. Dus laat ik beginnen met het eerste wat ik zei: scherpslijpers hebben vaak technisch gezien gelijk, maar het kan bijzonder vervelend zijn de godganse tijd gecorrigeerd te worden. Als een klein kind behandeld te worden. Een voorbeeld is voor mij de taalfeminist (dat zijn feministen die met name bezig zijn de taal of 'het discours' aan te passen). Je mag bijvoorbeeld niet ‘zoveel man’ zeggen, het moet ‘zoveel mensen’ zijn.

Als veel vrouwen zich uitgesloten voelen door het woord ‘man’, dan moet het natuurlijk kunnen dat we ons hier in aanpassen. Maar dit is het punt niet. Het moment dat je iets zegt dat niet puur is in de ogen van de scherpslijper, dan moet er meteen een correctie plaatsvinden. Doelmatigheid staat bij scherpslijpers niet voorop; het gaat slechts om de scherpslijperij zelf, het tonen van het eigen verheven politieke inzicht, de eigen veronderstelde puurheid. Of er in het proces daadwerkelijk iemand overtuigd wordt, dat komt op de tweede plaats. Waar gaat het dan om? Ik zal hier een aantal samenhangende redenen noemen waarom radicaal linkse mensen graag doen aan scherpslijperij, zonder oog te houden voor doelmatigheid. Alles volgt uit wat ik de afgelopen jaren zelf heb gezien en waar ik het met mensen zelf over heb gehad. Er komt geen woord uit een boek.

Ik ben revolutionairder als jij!

Pikorde. Veel radicaal linkse organisaties hebben een weinig vaste en hiërarchische structuur. Wie belangrijk is heeft dan te maken met wat je doet en wat je zegt.  En aangezien we weinig kunnen doen op het moment, gaat het vooral om wat je zegt. Maar hierover later meer. Het is eenvoudig in te zien dat de persoon die zich uiterlijk het meest conformeert aan de heersende opvattingen binnen die groep, en afwijkende meningen aanpakt, dan in achting kan stijgen van de groep, met name van het meer voorname deel van de groep. Dit uit zich snel als scherpslijperij uit de categorie 'Ik ben revolutionairder als jij'. Met name mensen die een drang hebben zich te bewijzen volgen dit patroon. Het gaat hier niet om het overtuigen, maar om de eigen presentatie naar de groep. Taalfeminisme kan dus op een bepaalde manier machismo zijn. Activisten die hoger in de pikorde staan kunnen hun scherpslijperij gebruiken om mede-activisten op hun plek te zetten en zo hun plek helpen veilig te stellen.

Identiteit en studenten. Een groot deel van de radicaal linkse activisten is afkomstig uit het studenten of intellectuele milieu. Hun functie in de maatschappij is afhankelijk van hun verheven intellectuele positie. Ook hierin moet je je bewijzen. Het is als het ware een concurrentiestrijd. ‘Ik weet het beter’ ligt dan niet ver van ‘ik ben beter en nuttiger’. Het resultaat is dan al snel gekibbel om details of nuances oftewel scherpslijperij. Wat hier mee samenhangt is identiteit. Activisme is vaak een zeer belangrijk, zo niet het meest belangrijke, van wat we doen in ons leven. Het is dan ook bij velen van ons een groot deel van onze identiteit. Als iemand je denkbeelden of toewijding in twijfel trekt, raakt dit dus aan je identiteit. Omgekeerd kan je je eigen identiteit bevestigen door ten opzichte van een ander je gelijk te poneren. Scherpslijperij kan dan gauw het resultaat zijn.

Gebrek aan beweging. Een bekend verschijnsel is dat in de strijd activisten nader tot elkaar komen. We werken samen, waarderen elkaar meer, komen qua ideeën dichter bij elkaar te liggen enzoverder. We kunnen ons nut in de praktijk bewijzen in plaats van met woorden. Uiteraard merk je in de strijd ook vaak genoeg wat de verschillen zijn en vinden harde discussie plaats. Maar overwegend komen activisten nader tot elkaar. Het tegenovergestelde gebeurd als er ‘niets gaande is’. Dan worden de lijnen scherper getrokken. Zowel tussen groepen als binnen die groepen blijft er dan voor activisten weinig anders over dan de idealen waar ze het voor doen en de theoretische voorstelling van de middelen om ze te bereiken. De strijd vóór die idealen wordt dan al gauw uitgevochten tussen de activisten. Het resultaat: scherpslijperij en tweespalt. Het feit wil dat in Nederland al sinds jaar en dag de strijd op een laag niveau zit, met zo nu en dan een korte opleving.
 
Nu heb ik in voorgaande alinea’s al een aantal dingen benoemd die het effect of de bedoeling kunnen zijn van scherpslijperij. Geen van deze resultaten zijn echt verheven. Nu zou nog gesteld kunnen worden dat dingen uitgediscussieerd worden dankzij de scherpslijperij. Dat zal voor een deel zeker waar zijn. Maar evengoed kan het zijn dat verschillen danig worden opgezocht en benadrukt dat het niet leidt tot een oplossing, maar tot een breuk en nog meer versplintering Of, ook niet onwaarschijnlijk, dat door de manier van discussiëren mensen in het harnas gejaagd worden tegen het gene wat ze aangepraat wordt èn tegen de persoon/organisatie die het ze aanpraat. Tegelijkertijd heeft dit soort discussie vaak weinig relatie tot de praktijk, het is een discussie over woorden niet over daden (en in tegenstelling tot postmodernistisch dogma is er toch echt wel een verschil tussen iets zeggen en iets doen), het zijn woorden over woorden, reflecteren op reflectie. Als alternatief stel ik een voorbeeld uit het politieke leven van Lenin voor.

Lenin sprak zichzelf continu tegen - en dat is goed

Ik weet niet hoe Lenin was in de omgang, daar zijn nogal tegenstrijdige dingen over gezegd. Dat doet er hier ook niet echt toe. Veel zullen Lenin zien als iemand die (voor zijn tijd) een perfect revolutionair was. Maar weinig mensen hebben zich zo vaak tegengesproken, omdat ze iets hadden geleerd, als Lenin. Stel je voor: we vinden (eventjes) een tijdmachine uit en zetten de Lenin van 1916 tegenover de Lenin van zomer 1917. Het zal geen heftige discussie opleveren, immers, beide zijn bolsjewiek, overtuigt revolutionair….alhoewel?

In 1916 stelde Lenin nog dat een socialistische revolutie in Rusland eigenlijk niet mogelijk was. Eerst kwam de burgerlijke, daarna, na een onbepaalde periode, was de socialistische revolutie mogelijk. De details doen er niet precies toe. De Lenin van 1917 dacht iets anders: namelijk dat je in vanuit de burgerlijke revolutie door kon stoten naar de socialistische. In 1917 hadden de Bolsjewieken de meest heftige discussies en Lenin speelde er geen kleine rol in. Zet men de Lenin van 1917 tegenover de Lenin van 1916, dan had de eerste de laatste voor ‘reformist’ kunnen uitmaken, en de laatste de eerste voor ‘ultra-links’.

Lenin leerde pas dat socialistische revolutie mogelijk was in 1917. Hij nam de theorie van Trotski over, maar in een bepaalde contekst, namelijk die van de Russische revolutie zelf. Het was niet de scherpzinnigheid van Trotski, die veel langer de theorie van permanente revolutie aanhing, die Lenin overtuigde. Het was dat Lenin zich openstelde voor nieuwe gedachten en probeerde te leren. Dit is werkelijk het enige dogma van het marxisme. Door deze houding kon hij in de dialectiek van 1917 de nodige lessen trekken. In zekere zin had de Lenin van 1916 ongelijk; maar anders bekeken, zat hij gewoon op een ander punt in het leerproces. Het is natuurlijk wel zo dat in een revolutie men sneller leert dan wanneer dan ook, wat het grote verschil tussen 1916 en 1917 goeddeels verklaart.

Scherpslijperij veronderstelt al gauw een zeer rigide en helder afgebakend idee. Het verschil met dogmatiek is vaak klein of zelfs afwezig. Scherpslijperij bij de één leidt ook nog makkelijk tot scherpslijperij bij de ander. Dit is een obstakel in het leerproces, wat we allemaal continu door moeten maken. We moeten beseffen hoe we zelf leren en hoe anderen leren. Leren doen we in de eerste plaats door strijd. Als er geen strijd is moeten we proberen daar de aanzet toe te geven,  en niet blijven steken op elkaar inhakken over woordkeuzes. Als we het dan hier over hebben, zou dat in de contekst moeten zijn van wat die praktisch betekenen. Als we dan van mening zijn dat die keuzes verkeerd zijn, dan moeten we daar zeker de discussie over aangaan. Maar dus niet blijven steken semantiek, in reflectie op reflectie.

En nee, natuurlijk ben ik ook niet perfect. Verre van. Dat zou wat zijn…